negenenzeventig

 

 

de hel der eeuwige jeugd

onthecht verscholen
achter een masker schulpzand
op een zongedroogd online strand

de handen van een Milo
trekken de zeespiegel glad
geen duik voorwaarts in de tijd
kan hem voor jou nog ooit klieven

ik kom van een lange lijn van bouwers
in mijn woorden heit hun bloed
en hun tranen tekenen mijn handen

mijn ome Kees uit Steenbergen
edel metselaar hij mengde
zorgvuldige scheuten water
bij zijn smeuïge voegspecie
stug door stapelde hij zijn stenen
voor heilige torens en gewijde schuurtjes
in overwoekerde weitjes
of voor een koele patio
onder een koepel blauweregen

zijn vader weer mijn opa
van moederszijde en naamgever
maakte er zijn stuc mee aan
zijn acanthusbladeren
en gesloten schelpen omlijstten
menig mogelijke poort
tot het ons beloofde hemelrijk

maar lam door Hebes nectar
streel jij pedant de wangen van
Venussen en Aphroditen en Korai
deze eenzelvige wachters voor de lege
kamer van de eeuwigheid

achter de tralies van de schoonheid
zitten zij levenslang hun dagen uit
het bovenaards vuur in hun zielen
heeft voorgoed hun harten uitgehard
hun blinde blikken priemen
keer op keer verdwijnende verten
en wat zij enkel nog ter wereld brengen
is de schorre roep om enige gelijkenis