zeventig

 

 

het getal 70

langs de muren van de patio
herhaalt de wind een gesloten cirkelgang
soms schielijk vanuit
haast voltooide vertraging
verheft hij zich in een fluwelen razen
duikt dan weer onder
in het ratelend gegrinnik
van een verliefde ekster

dicht bij mijn voeten
fixeert mij het oog in de kosmos
een piepklein gaatje in de betonnen vloer
blaadjes zaadjes stukjes tak
ordelijk gerangschikt eromheen
er kruipt een miertje uit
en een ander sleurt aan een snipper chocola
vijf keer zijn lichaamslengte
die ik bij het breken heb laten vallen
er wil er eentje naar binnen
en wurmt zijn parelzwarte lijfje
langs dat van een soldaatje of werkstertje
ik ben niet meer
als mij vangt dit komen en dit gaan

niet van de liefde en
niet van de schoonheid
niet van de bescheiden toewijding
of de saamhorigheid
is dit het getal
maar van hen die vurig
bezingen het verduren
van moeite en verdriet
of ze nu hun tekens zwierig
griffen in lessenaars of
op razend geheven vaandels

ik heb zojuist een nispero gegeten
zijn glazige pit aan mijn voeten
glanst als een reusachtige bleke mierenkop
lokt eerst een enkel nerveus verkennertje
snel al rukt een kleine divisie werkstertjes op
meer dan een uur kost het ze
deze parel te verplaatsen
dat die veel te groot is
voor de kleine toegang van hun universum
weerhoudt ze niet
hem te draaien te keren

later lopen ze schijnbaar doelloos te zoeken
dat doen ze zonder vreugde
maar ook zonder het minste lijden

hoe groot vraag ik mij af
zal het gangenstelsel
hier onder mijn voeten zijn?
en is één mierenleven voldoende
voor ik met stoel en al
door de bodem zak?

geleerden blijven schrijven
verslaafd aan woestenij
discipelen blijven jubelen
over het nut van ontzetting

kom leun achterover
en laat dwarrelen de zon
en sluieren oude regen
lach mee met de ongeremde ekster
en neurie als de wind dezelfde wind
het is een kwestie van wachten
tot hij schielijk
vanuit een haast voltooid vertragen
raast onder de scrupuleus verzamelde
blaadjes zaadjes en stukjes tak