vierenzestig

 

boom van begeerte

Jonas ligt zijlings op zijn rots
uit zijn hemelgerichte oor
schieten leeggelikt
door de ijstongen van de winter
de dorgestoken takken
van de marmeladeboom

scherven as
waarmee ze nauwelijks botten
wervelen al over hem heen

en uit de vele wonden die
als een rode schaduw hem toedekken
tilt hij zich nieuw op
en legt hij zich zijlings neer