vijfenvijftig

 

achter de komma van Pythagoras

niets trilt niets trilt mee
als ik passeer
mijn stem gevangen in perfectie
verstikt gejuich gehuil
in een welluidende windstilte

maar in de deur naar voltooiende weerklinking
een toonbeeld: ik zie mij
spiegeling gespiegeld in de spiegeling van al mijn ogen
in deze stapeling van mijn gelijken
schuilt de belofte van onzuiverheid

zouden de mouwen van fladderende jasjes
soms iets krapper enige oksels schrijnen
zouden ritselende broekspijpen iets korter zijn
en eindelijk tiende millimeters rode sokken bevrijden
en zouden de knarsende stroppen van dassen
minder nauw adamsappels prangen
ik ging op in een groot symfonisch verlangen

wil ik verdragen worden
met een zucht de kleinste zucht
zal ik mee moeten zweven
glissando omhoog
glissando omlaag