negentig

 

 

niemandszee

met oor en stem aan de grond;
jou zing ik, witte dwerg, herontdekkingsreiziger
op herhaling, mijn coördinaten toe:
trillingen van gebroken intervallen
golven door een gestold ijzeren hart
en dringen tot aan een korst
vloeibare fracties:
zachte steen en vergeten woorden,
huilende baby’s en een goochelaarscape,
een maankonijn in jouw mond,
een zonnevlek op jouw oogbol –
ze breken door, kaatsen tegen jouw vingertoppen
en magie heft de schepping op

jouw handen vouwen zich,
twee helften van een schelp
aangespoeld op de kust van een zwart gat