6. Goed gemutst

Guitig is een woord dat mij in een zorgeloos kunstmatig verleden plaatst. Toch is er geen betere karakterisering voor de blik van de man die mij, opgedoken uit het niets, plotseling aanstaart. Zoals bij Ben Turpin kijkt het linkeroog je recht aan terwijl het rechteroog zijwaarts van je weg loenst. Hij heeft zijn guitige kraaloogjes wijd opengesperd. Hij tuit de smalle weke lippen van zijn snoeperig klein verwijfde mondje. Spichtig steekt zijn smalle gezicht met de guitige omberkleurige kraaloogjes en het snoeperige vochtige kindermondje de lucht in als een ballon, onrustig bibberend op een stokje. De man spreekt niet. Hij staart me alleen maar verwachtingsvol aan. Hij wacht. Hij heeft een lange vogelhals die hij zo schaamteloos exposeert dat het lijkt of hij me smeekt er mijn beide handen omheen te slaan. Midden in zijn gezicht zit de te grote neus die, behalve het puntje dat naar buiten floept, door een grote duim naar binnen gedrukt lijkt. Hij heeft verfrommelde kleine oren die zich, als nieuwe blaadjes van een plant, nog moeten uitvouwen. Zijn huid is grauw en zacht. Natuur heeft in een dronken bui of met een blinddoek voor er met onvaste hand een chaotisch raster van grillige rimpels en vouwlijnen overheen getekend, die kronkelend en sidderend uitmonden in zijn ongekamde warrige haar, blonde dunne krullen waardoorheen zijn witrozige schedel met pigmentvlekjes dof glanst. Die oogjes, ze blijven guitig, wijd open. Dat mondje, dat lacht maar snoeperig en klein. Dit glimlachje vraagt steeds. Het zegt: kom nou, jij bent aan de beurt! Toe dan! Toe! Nou jij! Wie dit gezicht gezien heeft en het wil ontvluchten staat maar één redmiddel ter beschikking: het juist niet de dreun te gunnen die velen het al hebben gegeven om daarna het meest vreeswekkende te moeten zien: dat het je taai blijft toelachen! Beter is het daarom voorgoed om te keren en langdurig het allerlelijkste in jezelf te schouwen.