3. Stevie

Met haar hand steunt zij tegen de ruwe stam van een eeuwenoude eik. Haar hoofd is licht naar links gekeerd en schuin neerwaarts gebogen. Haar mond met de smalle lippen een beetje open. Ze ontbloot voorzichtig haar boventanden. Haar blik vorst de grond, iets voor haar uit. Iemand heeft haar aangesproken, het zou de fotograaf kunnen zijn. Ze is verlegen in gedachten. Misschien is haar iets heel onschuldigs, iets onbenulligs gevraagd, bijvoorbeeld: hoe laat sta je op? en heeft de gedachte aan ‘ochtend’ haar teruggelegd in een bed in een kamer, een fijn rommelig of een naar want te benauwd bed. En heeft diezelfde gedachte haar geleid naar een stem die aanstekelijk of angstaanjagend wekt. Naar een uitzicht op een afgesloten huis of een water zonder herinnering. Naar een magisch of juist zwaarmoedig uur, een lichtval die verrukking brengt of weemoedig stemt. Naar het begin van een zekere dag vol hoop of vernietiging of verwachting of wroeging. Het begin van een zekere jeugd, een zekere adolescentie, een zeker leven. Maar misschien heeft de fotograaf of de buiten het beeld mogelijk aanwezige derde persoon niets gezegd en heeft deze vrouw helemaal geen impuls van buitenaf nodig om alles in haar gezicht precies zó te laten zijn, dat al dat pijn en vreugde geeft er in verwarrende harmonie op te lezen valt. Haar glimlach is warm en ongemakkelijk. Haar mond houdt van het woord en kent z’n vergeefsheid. Haar ogen omhelzen in lichte kwelling een rijk leven. Met haar lange mannelijke neus toont zij zich onverbiddelijk en deemoedig schuchter. ‘Weet je,’ zijn de twee woorden die haar hoofd doen neigen, haar blik sturen, haar bescheiden laten glimlachen. ‘Weet je.’ Ze zwijgt. Ze staat stil. Haar ganse gezicht spreekt. En met haar oude hand leunt zij tegen die eeuwenoude eik, als legt zij haar arm om de schouder van een dierbare levensgezel. ‘Weet je,’ zegt ze. Samen zijn ze vertrokken.