2. Danser

Rond zijn glanzend gezicht. Gekroond met flonkerend donker haar van rafeltouw. Toneellampen dompelen hem onder in een rode gloed. Zijn ogen, helder en zacht, berusten en kijken verlegen weg naar rechts. Daar zien ze het lot van zijn vaderland getoond in de vurig beheerste bewegingen van de danser die hij is. Op de onzinnige vraag naar drijfveren het leven precies zó te leven, zal hij antwoorden met zijn blik zijwaarts: daar, kijk naar de danser. Zie zijn handen, zie hoe ze sierlijk vreugde en leed en mysterie in de ruimte om hem heen tekenen. Zie zijn gespierde lijf, hoe het lenig buigt en zo het eigen lot beschrijft als een boek voor allemaal. Zijn lippen, vlezig maar scherp, plooien zich nauwelijks zichtbaar tot een glimlach en duwen de jukbeenderen een klein beetje omhoog. Voor in zijn mond ligt het antwoord besloten, maar de ogen spreken het uit. En zijn die gesloten, zijn armen verheffen zich en zijn handen tasten de woorden ervan af in de lucht. Altijd dezelfde woorden met steeds gracieuzere en steeds preciezere en steeds kleinere wendingen beschreven. En het kind dat hem in de ogen ziet, de moeder die zijn stugge haar door haar vingers laat gaan, de vader die zijn handen om dit gezicht legt, de vrouw die de mond kust, zij kijken zijwaarts en zien de danser dansen.