10. Wachten

Hij weet zich bekeken, kijkt je niet aan. Zijn blik is die van de trouwe eenzame hond. Geruststellende ogen. Ze hebben een gedachte als een langgerekte stille wolk gevangen, in de verte daar, vlak boven een horizon van eentonige rode daken. De wolk hangt als een golvend schild over wie of wat daar is, dier, mens, geest, een andere mogelijke gedachte, vredig of wreed. Onbeweeglijk tuurt hij naar die wolk. Zijn uit kneedbaar graniet gehouwen kop wijkt geen millimeter. Zijn wimpers bewegen niet. Geen geluid noopt tot bevrijding uit zijn bedachtzame gesloten mond. Boven zijn ogen, op het brede blote voorhoofd deinen als projecties van de gedachte drie diepe fronsen van slaap tot slaap. Een volle dos van dik wit haar rust als een kroon op zijn schedel. Zijn gesloten linkervuist ondersteunt het gezicht onder de kin. Hij heeft iets van Inspektor Derrick, hoeder van de wereld, maar dan zonder diens door overtuigde vergeefsheid ingegeven handelen. Deze man, deze sfinx, hij doet juist niets. Leed wiegt de liefde. Liefde troost het leed.