1. Een veelbelovende jongeman

Het ineengedrukte hoofd keert zich naar mij. Het rechteroog: geknepen. Een klodder somberte. Het andere oog verborgen in een lichtloze schaduw die, haast naadloos, zonder een zichtbaar onderscheid in graad van donkerte, overgaat in zijn oliezwarte haar – misschien lacht dit oog, of wendt het zich inwaarts, op zijn hoede voor het monster van saamhorigheid, of broeit en glanst het van geluk, zonder schaamte, omdat het voor al dat anders is ongezien blijft. De mond, met die krachteloze nauwelijks zichtbare bovenlip – een futloze lijn, meer is het niet – en de daaronder uitstulpende onderlip, is een toonbeeld van onderdanige luiheid. De platgeslagen neus hangt er onmachtig verzadigd boven. Het linker oor steekt opvallend meer uit dan het rechter. Een buitenproportioneel groot oor. De man heeft zich samengeperst, zijn lijf gekneed in een met das gekneveld pak, waarvan nog net de schouderpartij zichtbaar is. En zijn hoofd lijkt hij naar binnen, in de holtes achter zijn jukbeenderen te willen proppen. Dit ene te grote oor, het weerstreeft hem. Hoezeer hij ook wenst te imploderen, zich overleveren aan verbergen, vergeten of volgen, zijn oor opent zich naar buiten en groeit en groeit, onbelemmerd door de angst in de kop waarvan het deel uit maakt, omdat het zo hoopt de wereld te kunnen begrijpen en er een ruimte te vinden voor dit verdwijnende lijf van hem.