1. Na een jaar

Afgelopen zondag was het iets langer dan een jaar geleden dat Kees overleed. Kees had op 22 maart 2010 zijn woning verlaten om geld voor de werkster te pinnen. Hij was via de achterdeur gegaan. De geldautomaat is daar om de hoek. Hij had de deur nog niet achter zich gesloten of was ter plekke, omdat zijn hart even niet meer wilde slaan, ineengezakt. Daar lag hij op de stoep, terwijl de werkster binnen op hem zat te wachten. De achterdeur opent naar een kleine plaats die tussen de appartementen, waarvan hij er een bewoonde, en een tegenoverliggend laag flatgebouw van twee verdiepingen ligt. De mensen die er wonen bleken die dag allemaal aan het werk. Hij heeft daar een uurtje onopgemerkt gelegen. De buurman, terug van zijn werk of van een boodschap, vond hem toen en heeft nog geprobeerd hem te reanimeren, zonder succes. Een ziekenwagen heeft hem opgehaald en hem naar het Radboud Ziekenhuis in Nijmegen gebracht. Daar konden ze niets meer voor hem doen. Hij is niet veel later gestorven.

Zondag was ik, samen met mijn stiefzusjes, in het Rooms-katholieke kerkje te Valburg voor een dienst tijdens welke zijn sterven werd herdacht. Ik ben daar naar toe gegaan omdat ik weet dat mijn stiefzusjes hier waarde aan hechten. Kees heeft veel voor hen en hun kinderen betekend. Zij, de dochters van zijn tweede vrouw, hebben hem een tweede, ik vermoed beter leven gegeven, bevrijd van dat loodzware kiezelsteentje dat zijn eerste vrouw, mijn moeder, en wij kinderen, mijn vijf zussen en ik, voor hem waren en dat hij jarenlang met zich meetorste:
’s morgens aan de ontbijttafel beet hij er zijn tanden op stuk, op weg naar zijn werk was het blijven steken in zijn keel, hij kreeg het niet weggeslikt, het benam hem de adem, terug thuis stak het zijn hart, en ’s nachts in bed zwierf het rond in zijn maag. Tot de dood van mijn moeder scheidde wat eeuwig heel leek. Nee, ik moet preciezer zijn: tot de dood van mijn moeder en de aankondiging van mijn vader dat hij in het huwelijk zou treden met zijn tweede vrouw, drie luttele maanden daarna, scheidde wat eeuwig heel leek. Mijn vader plaatste zichzelf daarmee buiten ons gezin.

Meteen vanaf dat ik mijn juist gestorven vader in het Radboud Ziekenhuis heb bezocht, ben ik mijn stiefzusjes gaan zien als twee extra zussen. Nieuw leven lijkt het beste te gedijen, bedekt en gevoed door de mest van vers sterven. Mijn stiefzusjes, anders dan ik, en vermoedelijk ook anders dan mijn zussen, zijn gelovig. Dat wist ik niet. Maar in dat kerkje in Valburg heb ik gezien hoe ze van het theater van de Rooms-katholieke dienst houden. Ze scandeerden de slepende gebeden, namen het lichaam van Christus tot zich terwijl ik zweeg en mijn plaats niet verliet. Staan, dat is, in dit soort situaties, van tijd tot tijd een welkome lichaamsbeweging. Maar ik kniel niet. Knielen is in mijn ogen een onderwerping, niet aan de Heer waarin je al je vertrouwen zou kunnen leggen, maar aan het regime van het ritueel, aan de terreur van het theater, en tot slot aan het hogelijk gewenste gelijke gedrag van ieder individu binnen een gemeenschap of groep. Deemoed is zeker een aan te bevelen deugd, maar ik denk dat we hem het beste in afzondering kunnen oefenen.
regelwitIk geloof dat ik met dit gedrag op mijn vader lijk. Ooit, lang geleden, vertelde mij een vriendin van Kees zijn tweede vrouw, die net als hij uit het Brabantse dorp Lepelstraat kwam, dat zij hem zich als puber goed voor de geest kon halen: dwars en eigenwijs steevast de tegenovergestelde richting kiezend van hen die op weg waren naar het lof, een daad die ik niet zo goed kan duiden wanneer ik aan hem denk, maar, mijzelf beschouwende, als een volstrekt natuurlijke handeling ervaar.

Met deze dienst in het Rooms-katholieke kerkje in Valburg werd Kees geëerd. Een jaar lang hing er een klein houten kruis met daarop geschreven zijn naam en geboorte- en sterfdatum, te midden van andere houten kruisjes van recente overledenen, aan een haakje op een bord aan de muur. Na afloop van de dienst heb ik het kruis meegekregen. Het ligt nu thuis op mijn werktafel, ik weet niet zo gauw waar het anders neer te leggen. Ik wil het beslist niet ophangen, dat stemt me veel te somber. En om het meteen in een lade op te bergen, ik vind het wat oneerbiedig. Dus ligt het daar nu al een paar dagen en zie ik enkele keren per dag zijn naam in zwarte inkt geschreven. Het lijkt onwaarschijnlijk, maar in die letters leeft hij verder. Anders dan de uitgebeitelde letters van zijn naam op zijn grafsteen, koud, stijfjes, vormelijk, bewegen deze beetje slordig schoongeschreven letters in zwarte inkt op het knullig gemaakte houten kruisje voor mijn ogen als worden ze terwijl ik ze lees geschreven, keer op keer. De inkt geeft zelfs, na een jaar, nog wat af. Zijn dood is nog vers en bemest het leven dat ik in zijn naam vervolg.