23. de handen van Eleonore

Zichtbaar is alleen een deel van haar linkerhand. Ze houdt een oud bot vast, een wervel uit het lichaam van een zeezoogdier. Een dolfijn misschien. Het bot is stoffig wit en ziet er uit als een versteend insect. Twee korte kromme poten links en twee rechts steken zijwaarts van onderuit een plat ovalen schild. Aan de voorkant steken nog twee poten uit waarvan de uiteinden bij elkaar komen als twee handen, gevouwen in gebed. Die wijzen naar voren: een route over het water naar het rotsland. Als een wichelroede, getrokken naar kostbare edelmetalen en ertsaders.
regelwitKalm houdt haar linkerhand de wervel vast. De duim rust op het schild. De overige vingers, waarvan alleen de onderste helft van de wijsvinger en de knokel van de middelvinger zijn te zien, voegen zich onder dit schild. Zo houd je iets vast dat plat is, een boek, een brief, een schrift. Of soms de hand van iemand die je vertrouwt: kalm, losjes, niet dwingend, niet angstig. En die kalmte, die losheid, dat vanzelfsprekende, dat natuurlijke: wanneer een hand op die manier die van een ander neemt, kun je dat eigenlijk geen daad van nemen meer noemen. Eerder vlijt de hand zich in die van een ander.
regelwitZo ligt ook haar linkerhand in dit kalkwitte bot, eerder dan dat zij het genomen heeft. Ze aanvaardt zonder bedenkingen de koers die de wichelroede heeft uitgezet: recht vooruit.
regelwitEn die andere, die rechterhand? Hoewel uit het zicht, kun je je haar gemakkelijk voorstellen, naar achteren gestrekt, verankerd in het voorbije, als het andere einde van een brug waarop zij, met de rug daarnaartoe, in het midden staat.