5. de linkerhand van meneer Janson

Eergisteren kwam hij in mijn praktijk, de componist en pianist Janson. Hij was op zijn linkerhand gevallen en had een pijnlijke pols. Het was me liever geweest dat mijn vrouw hem behandeld had, maar zij is al een paar dagen ziek. U moet weten, mijn vrouw en ik runnen samen een huisartsenpraktijk, pal naast het Oud Burgergasthuis, en dat doen wij al dertig jaar nu. Meneer Janson komt altijd met tamelijk vage klachten die zelden ongemakken betreffen die het psychosomatische domein verlaten. Mijn vrouw kan beter omgaan met dat soort kwalen. En met de soort mensen die ze hebben. Ik voel me dan ook enigszins onthand deze laatste dagen en het is daarom een geluk voor me dat ze morgenvroeg sniffend en snuitend al weer aan het werk zal gaan. Zo heeft ze me beloofd.
regelwitDeze keer had meneer Janson, ik noem het maar zo, een concretere vage klacht. Vlak boven de pols was zijn linkerhand wat opgezwollen en vaag blauwig verkleurd. Ook deelde hij mij mee dat, wanneer zijn arm zich strekte en de hand op de toetsen van de piano rustte, hij zijn hand onmogelijk nog naar links, naar buiten toe kon bewegen. Nu kan dit maar een klein beetje, maar iets moet kunnen en dan zeker zonder pijn. Wonderlijk genoeg, zo vertelde mij Janson, hinderde deze blokkade hem niet du moment hij met spelen begon. Ook de pijn trad dan niet op. Staakte hij het spelen, probeerde hij zijn hand weer naar buiten te bewegen, zijn pols blokkeerde de beweging en bezorgde hem een onplezierig stekende pijn.
regelwitIk kon natuurlijk de verkleuring en verdikking van de hand niet negeren, maar bij deze laatste ontboezeming voelde ik toch al meteen al mijn kennis en kunde mij verlaten. Het is zaak in zo een situatie kalm te blijven en je onzekerheid en onwetendheid te camoufleren met een gedeeltelijke bekentenis de oplossing van het probleem schuldig te moeten blijven. Een gedeeltelijke bekentenis gevolgd door het wijzen op een mogelijk hoopvolle uitweg. Meestal is mijn vrouw deze uitweg, dit keer moest ik mij behelpen.
regelwit‘Meneer Janson,’ zo zei ik, ‘uw hand ziet er niet goed uit, maar het is een lichte kneuzing die vanzelf overgaat wanneer u uw hand en pols niet te zeer belast. Er is niets gebroken. Pianospelen, blijft u dat vooral doen aangezien u zelf al aangeeft daarbij geen hinder van de klacht te ondervinden. Zou u wel last krijgen tijdens het spelen, houdt u dan onmiddellijk op en rust. Waar het de blokkade van uw pols betreft, ik vrees dat ik daar op dit moment geen sluitende verklaring voor kan geven. Maar, zoals u wellicht weet, zit hier een deur verder Vermeegen, de fysiotherapeut van het OBG. U kunt daar nu meteen naar toe, dat regel ik zo. Het lijkt me verstandig dat hij er naar kijkt en u, mocht het nodig blijken, verder helpt. Weet u wat het is, meneer Janson, vaak met dit soort klachten, wanneer niets is gebroken, is er sprake van een tijdelijk ongemak dat, zonder dat men het in de gaten heeft, plotseling verdwenen is. Ik spreek het vertrouwen uit dat het bij u ook om een dergelijke klacht gaat.’
regelwitJanson scheen gerustgesteld. Hij kon dadelijk bij Vermeegen terecht, die hem kennelijk de juiste bijstand heeft kunnen verlenen, want de eerstvolgende keer, een maand of twee later, dat Janson op mijn spreekuur kwam, werd met geen woord meer over de pols gerept, maar maakte de jonge componist zich ernstig zorgen over zijn hart dat op de gekste momenten, zo drukte hij zich met enige paniek in de stem uit, oversloeg en hem duizelingen en zelfs flauwvallen bezorgde.