3. Mijn handen

Ik moest, zittend op mijn knieën, eerst mijn geheel met vaseline ingesmeerde linkerhand en –arm tot aan de elleboog op tafel leggen, de palm van mijn hand naar boven gericht. De klei werd vervolgens stevig om mijn arm en hand gekneed, totdat van beiden de onderste helft er helemaal door omsloten was. Daarna werd er een bekisting omheen geplaatst, zonder bovenkant. Het plankje aan de achterkant viel door de halvemaans uitsparing precies over mijn arm heen. Met klei werden, aan de buitenkant, alle kieren en naden grondig gedicht. Warme gips werd nu van bovenaf in de bekisting gegoten tot mijn onderarm en hand er geheel onder verdwenen waren. Een sensuele weldaad aanvankelijk, deze vochtige warmte, maar al snel begon het gips af te koelen. Het was alsof niet het gewicht van het gips maar eerder de koude ervan zwaarder en zwaarder op mijn arm en hand drukte en ze samenperste. Mij werd het verboden ook maar één enkele minimale beweging te maken. Na een half uur was het loodzware gips hard geworden. Mijn onderarm voelde ijskoud. De bekisting werd weggetrokken en de gipsen mal voorzichtig van mijn arm getild. De binnenkant ervan toonde nu de afdruk van de bovenkant van mijn onderarm en hand: een drooggevallen bedding van een rivier waarin alle sporen die het water in honderden jaren had nagelaten haarscherp te zien waren. Botten en spieren als ondiepe glooiende geulen. Haren als ingekerfde achtergebleven takjes. Aderen als smalle vloeiend gegutste gleufjes.

Het maken van een afdruk van de onderkant van mijn linkerarm en –hand, bleek een stuk ingewikkelder. Wanneer die arm op een tafel ligt, de palm van de hand naar beneden gericht, en je draait dan je hand om, dan zie je meteen het probleem: het eerste stuk vanaf de elleboog draait zich niet in zijn geheel, 180°, om. Om dit voor elkaar te krijgen was er maar één mogelijkheid: ik moest mijn arm achteroverklappen. Alleen zo zou mijn onderarm in zijn geheel zijn omgekeerd.
regelwitDaar zat ik weer op mijn knieën, nu niet recht voor de tafel, maar in een zeer pijnlijke houding, er meer dan een kwart van afgewend. Weer werd er klei om mijn onderarm en hand tot aan de helft ervan gekneed, de bekisting eromheen geplaatst, werden de naden gedicht, en vervolgens het gips erin gegoten. Even verzachtte zijn warmte mijn onmogelijke en pijnlijk gedraaide houding, snel al verkilde het gips en perste mijn onderarm en hand samen. Een ondraaglijk lang half uur passeerde waarin ik wederom geen vin mocht verroeren. Maar toen eindelijk de tweede mal gereed was, het gips van mijn arm werd getild en ik weer het wonder zag dat zo’n afdruk is, vergat ik direct de pijn. Met name de afdruk van de binnenkant van mijn hand was spectaculair: kortere en langere groefjes als runentekens vertelden hier mijn toen 30-jarige leven, daarbij niet het petieterigste detail achterwege latend.

Op mijn tafel liggen nu, twintig jaar later, mijn beide onderarmen en handen, gemaakt van lichtgrijs papier-maché dat inmiddels hier en daar bruin is verkleurd. Ze zijn als dodenmaskers: ik zie dat ik het ben, maar de geest is er uit. De handen zijn vrouwelijker want smaller dan mijn handen in werkelijkheid zijn. Het gips heeft de vingers, behalve de duim, tegen elkaar aangedrukt, ze liggen een klein beetje over elkaar heen. Toch, in tegenstelling tot de vele objecten die er ook op mijn tafel liggen en die éerder verhalen van mijn huidige doen en laten, onttrekken deze handen wie ik ben aan de tijd. De pennen, het bierdopje, de flessenopener, de twee munten van 20 eurocent, het stapeltje Cd-roms, het muziekpapier, het kopje met een bodempje thee, de kandelaar met stoffig stompje kaars, de memorecorder, de paar ansichtkaarten, brieven, de kleine pluchen pandabeer, de brillenkoker, de wekker, de snippers papier met notities en telefoonnummers, de bureaulamp, de roman waarop de handen liggen, het pakje papieren zakdoekjes: morgen liggen ze daar weer, in een andere ordening, of zijn vervangen door andere op dat moment nodige prullen. Ze zijn een uitdrukking, een uiterlijke vorm van het veranderlijke leven dat ik leid, terwijl vreemd genoeg deze papieren handen, weliswaar zonder geest, in zich de indruk van mijn leven hebben gekregen en de tijd tot stilstand hebben gemaand.