22. de handen van Julius

Gezichten uit de nacht, beschenen door een felle lamp die al het omringende ondoordringbaar zwart maakt: zo tonen zich de handpalmen, plotseling duiken ze vlak voor je op, halt gebarend. Tot hier! En in het geven van dit bevel zijn deze handen vreemd genoeg juist op hun kwetsbaarst en liggen de lijnen en lijntjes en groeven en groefjes open en bloot voor de plotseling tot staan gebrachte beschouwer en zijn reddeloos vatbaar voor diens karakterlezing. In het afweren door al deze handen schuilt het afwerpen van een pantser. Met dit opdringerige tegenhouden laat men volkomen toe dat men gekend wordt. Er zijn de handen van een dwarse potentaat van amper drie jaar oud. En er zijn de handen van een zeventigjarige vrouw, haar geest kalm verstrikt in werelden buiten deze wereld. Maar nog zijn bij haar niet de sporen uitgewist van de lijnen die haar ooit in compassie verbonden aan de levens van anderen. En de rivier van egoïsme in de hand van de driejarige despoot, vertakt zich in stroompjes van intelligentie, kracht, bescheidenheid en dispositie tot solidariteit. Wie ik kan zijn, kunstenaar of crimineel, zoeker of verdwaler, ik lees het in de ander. Er is een ‘Halt!’ dat in één adem zegt: ‘Keer om!’. En ook een dat zegt: ‘Let op!’ Geen hand kan zich onttrekken aan dit laatste directief. Teruggeworpen op jezelf wordt je gevraagd wie je wil zijn: kleine kruimeldief met gul en gastvrij hart, groot dromer in een zelfverkozen ondoordringbaar woud. Het ‘zelf’ dat in je zit ligt beschreven in de handpalm van de ander.