1. de handen van Corné

De handen van Corné zijn kleine bleke handen.

Toch is door de brede palm de spanwijdte tussen pink en duim van zowel zijn linker- als rechterhand groot genoeg: van jongs af aan heeft hij zich ontwikkeld tot een bekwaam pianist en heeft hij zich, geheel tegen de verwachting in die rijst bij louter het zien van zijn handen, veeleisende stukken voor pianosolo weten toe te eigenen, zonder nu per se meer inspanning dan de gemiddelde goede pianist te hebben moeten verrichten.
regelwitZijn vingers evenwel zijn kort. Dat brengt onvermijdelijke beperkingen in repertoirekeuze met zich mee. De stukken van iemand als Liszt, bijvoorbeeld, schuift Corné met verstandige tegenzin terzijde. Vreemd genoeg voelen zijn handen zich juist wel bijzonder op hun gemak bij een componist als Chopin, diens stukken zijn hem als op maat gemaakte handschoenen. De bewegingen die deze composities vragen van de handen van de pianist, de virtuoze capriolen waarin andermans vingers zich zouden kunnen verstrikken, ze lijken niet alleen te zijn bedacht speciaal voor Corné, maar volgens hem ingegeven door de absolute wetten der logica.
regelwitDaarentegen weigeren zijn handen de wetten der bewegingen in de toonkunst van iemand als Bach te aanvaarden. Corné houdt veel van die muziek en met geest en hart verstaat hij ze volkomen. Toch zijn die zelfde geest en hart in hun volkomen begrijpen niet in staat Corné’s handen op de juiste wijze en in totale natuurlijkheid te sturen wanneer een partituur van willekeurig welke compositie van de grote componist op de lessenaar verschijnt. Zelfs in eenvoudige stukjes als de Zweistimmige Inventionen blijven zijn vingers zich verslikken.
regelwitVoor Corné is dit het bewijs dat aangeboren motoriek en geestelijke en emotionele ontwikkeling elkaar vaak genoeg gescheiden ontmoeten. Begrip en beweging zijn niet bij machte elkaar te helpen op een terrein dat handen verhindert te zien.