Over de Waal over de Rijn

  • Over de Waal over de Rijn
    tien dagen op de Telpost Millingen

tekening 85-90 kleiner

De nacht was een hel. Zo’n stekkertje gekocht dat een onhoorbaar signaal zou moeten uitzenden dat muggen buiten de deur houdt. Een miskoop: het ding maakt een irritant hoog piepend geluid. Geen oog dicht gedaan, de ene na de andere mug heeft me belaagd. Om vier uur was ik nog wakker, daarna kwamen er momenten van lichte slaap. Nu zit ik hier met een houten kop maar ben intens tevreden.
regelwitAnja komt langs. Ze brengt een nieuwe waterkoker voor me mee. Ik wijs haar op Billy, de eenzame stier, een Schotse Hooglander, die me deze morgen ervan weerhield op het strandje pal aan het water te gaan zitten. Hij sjokt daar wat rond, helemaal alleen. Anja denkt dat hij uitgestoten is. Volgens haar is hij zo oud: je hoeft hem niet te vrezen.
regelwitLater, aan het begin van een zwoele avond, weet ik hem van heel dichtbij te fotograferen wanneer deze treurige kolos plotseling bij de afrastering achter het gebouwtje in het hoge gras staat te grazen. Hij heeft geen interesse in mij. Ik ben blij dat het dier tenminste beweegt, overdag heeft hij als een homp steen onbeweeglijk op het strandje uren voor dood gelegen.

Ik heb de computer uitgeschakeld. Lichten uit. Schrijf bij een waxinekaarsje. Op het strandje galmen de stemmen van een aantal dronken mannen. Ze zijn buiten zichzelf. Ik heb toch het stekkertje tegen muggen weer uit de vuilnisbak gevist. Het doet toch wel íets, geloof ik. Anti-muggengel gekocht, en nu luister ik, geurend naar citroen, naar het hoge fluiten en de dronken verhalen.

Op de donkere magische rivier glijden volgeladen schepen als imposante waterbeesten, geluidloos en op hun hoede drijvend naar een onzichtbare prooi. Morgen gaan om elf uur hier de deuren voor publiek open. Ik wil van tevoren nog getekend hebben.

De volgende ochtend ben ik om kwart voor zeven wakker. Ik heb goed geslapen, muggenvrij! Zit nu op de bovenste trede van de stenen trap langs het gebouwtje, rug naar de zon, de blik naar Nijmegen. Een cruiseschip is zojuist voorbijgekropen en schuift sloom naar het punt waar de Waal een bocht maakt en uit het zicht verdwijnt. Andere schepen deinen voorbij, grillige grafische notaties op een uit de frommel gestreken papier. Geen spoor meer van stier Billy.
regelwitDe temperatuur gaat naar 32°. Bezoekers willen deze zaterdag niet komen. Om de tijd te doden lees ik een leeghoofdige Volkskrant. Val na een twintig minuten bijna in slaap. Ik ga aan tafel bootjes tekenen en dat wekt me meteen op. Er klinkt al een beetje muziek. Pas tegen vier uur hoor ik twee mensen de trap opkomen. Als ze na een half uurtje weer weg zijn beschilder ik een eerste van tien paneeltjes die ik bij aankomst hier al meteen in de gesso heb gezet.

Zelfs in de schaduw aan de achterzijde van het gebouwtje is het de volgende ochtend al broeierig warm. Met in mijn hoofd een licht duizelig gevoel, door slechte wijn en te kort slapen, zit ik weer op de bovenste trede van de stenen trap om te gaan tekenen. Waar blijven die boten nou?

Om elf uur wijst de thermometer 30° aan. Twee uur later staat-ie op 34°. Tot vijf uur komen zo’n vijftien mensen me bezoeken. Van al het praten word ik geleidelijk aan trager en slaperiger. Maar ik ben blij met alle interesse. Drie jaar zonder verf. Het schilderen bestaat op een gegeven moment alleen nog maar in het bekijken van andermans werk – nu moet ik weer naar mijn eigen werk kijken en dat valt me niet licht. En wanneer een ander naar je werk kijkt, kijk je, eindelijk uit jezelf getreden, met hen mee. Je bent even een van hen, een buitenstaander. En zo kijk ik opeens met vreemde ogen naar het schilderijtje dat ik gisteren met veel enthousiasme heb gemaakt, maar me nu met een zagende twijfel voedt.

Ik zit op het bankje vlakbij de Telpost. De rivier is stil en onbewogen. Dan passeren er maar liefst zes boten tegelijk en het water spartelt en golft onrustig aan op het strandje. De wolken klonteren stilaan samen tot een dikke deken. De zon is een grote rode bal geworden, nog hooguit een kwartier en hij is onder. Was het schilderen vooraf maar zo eenvoudig: het komen en gaan van boten op een rivier, het overdrijven van wolken, het opkomen en zinken van zon en maan, van verschijnselen die niet anders dan juist zó zich kunnen manifesteren. En maakte een dergelijke gedachteloze vanzelfsprekendheid alle zoeken achteraf maar overbodig.

Na zes uur slapen zit ik weer boven aan de trap, op mijn vertrouwde trede. De rivier is leeg. Op het Pannerdensch Kanaal geen schip in aantocht. Kalmte tegen een achtergrond van zachtjes zeurende auto’s. Er klinkt een hoge fluittoon, gedragen door een dik suizen van de steenfabriek hiertegenover. Onrustig gekwetter soms van een vogel. Een onvermoeibaar kraaiende haan. Kinderen fietsen zingend over de dijk voorbij, hun schooltassen achterop. Daar komen de eerste boten om de hoek in hun stapvoets vaartempo. Pas als ze de bocht om zijn, hoor je hun motoren en begint het water dat ze klieven te kolken en te kloppen. Een plezierboot, lange rijen lege stoelen op z’n dak, duwt zich met zware gonzende motor voort. Als hij voorbij is golft het water op het strandje. De rivier is ontwaakt. Een uur eerder toen ik opstond, strekte zich een nevelige bijna lege Waal en Rijn voor me uit. Eén schip lag zwijgend aangemeerd vlak voor het strandje. Naar welke school gaan die kinderen? Iedere ochtend de rivier zien. Dat is toch wat anders dan iedere ochtend het gordijn openen en daar ligt het weer: het overwoekerde stadstuintje van zes bij tien meter. Omsloten met hoge hagen aan weerszijden, achteraan begrensd door een treurig schuurtje. Naast andere kleine tuintjes en treurige schuurtjes en hoge hagen.

Terwijl ik teken komt een kolossale boot, de Navitas, volgeladen met containers, recht op me af. Een tweede iets kortere schip vaart er naast. Ze zijn me voorbij, het water maakt veel deining en rolt op het strandje. Na een paar minuten is het weer kalm. Als de duisternis inzet, komt over het strandje een vrouw met lange blonde haren aangelopen en gaat aan het water zitten. Met mij tuurt ze in de verte naar twee schepen. Ze naderen in een tempo zo traag als liggen ze stil. Tijd dijt uit als een wolkje boven dit water, rafelt uiteen en lost op in de lege donkere lucht.

Honderd keer water, honderd keer een tekeningetje, honderd keer een schilderijtje, allemaal deze week. Het tekenen en de misschien wel obsessieve en onzinnige regelmaat ervan is fijn. Het schilderen gaat sinds vandaag ook eindelijk goed. Spinnen laten zich als op elke avond aan hun draden vanaf het afdak boven de ramen zakken. Hun werk begint nu.

De hitte neemt af. Het is bewolkt en het waait hard. Het water beweegt nerveuzer en grilliger dan de afgelopen dagen. De rivier imiteert opeens precies de kleuren van mijn schilderijtjes. Het is een zilveren grijs dat het geel en het rood en het blauw doortrekt. Waar zijn de dagen? Ik slaap steeds kort, zes uur. Toch uitgerust schilder ik mijn paneeltjes, teken de boten, hieraan begonnen te zijn is vervaagd, het einde dat aan deze nu vanzelfsprekende discipline gaat komen lijkt nog ver weg.

Vannacht ben ik vergeten de kartonnen platen voor de ramen waarachter de zon opkomt als schermen te zetten. Nog voor zeven uur brandt ze me wakker. Vandaag maak ik m’n serie paneeltjes af. De tien schilderijtjes worden onopzettelijk een lange rivier, het is haast niet meer mogelijk hun verband met wat ik voor me zie te negeren. Dit weekend weer bezoekers, ik ben het sociale een beetje ontwend en zie er tegenop, maar het is goed want het zet me ertoe aan iets te willen laten zien.
regelwitAls ik later de schilderijtjes op de lange tafel achter elkaar leg, springen nummer zeven en met name acht er uit. In het geheel valt hun oppervlakkigheid misschien niet zo op, maar geïsoleerd des te meer.

De volgende dag begint bewolkt en koud. Ik heb opeens enorme behoefte aan uitslapen, aan nietsdoen, aan douchen, lang douchen. Ik por me op om aan te haken aan het werkritme dat ik eerder moeiteloos kon opbrengen. Dus zit ik toch weer op de betonnen treden en noteer de hypnotiserende monotonie van voorbijschuivende schepen. Bruin en grauw zijn ze, het water is bruin en grauw. Maar dan rafelen de wolken open, de zon komt door en alles schittert zilver.

Een volgende dag, de volgende tekeningen. De zon komt al om het gebouwtje heen. Haar schaduw kruipt de betonnen trap af, ik moet steeds een paar treden lager gaan zitten om niet weg te branden. Die twee schilderijtjes zijn nog steeds niet goed. Ik breng veranderingen aan. Het wordt beter. Geloof ik. Opeens ben ik het slapen hier zat. Ik wil naar huis en liefst hier niet zijn als het open voor publiek is. Sociaal dier tegen wil en dank dat graag moet praten. Niet zeuren, afmaken! roept een stemmetje. Het is een broeierige middag. Zwartgrijze wolken drukken op het landschap. Een man en twee jongens lopen met hun hengels door het gras hieronder. Ze vinden een plek aan het water en gaan vissen. Vooruit, de laatste tien tekeningen!

Het water van de Rijn is donker lood. Waar ze in de Waal overgaat wordt ze zilver. De rivier splitst zich, weg van je en dwars door je heen. De rivier verscheurt het voorbije en is de naad tussen twee werelden. Ze draagt kalm de kalme boten en voerend naar een schitterende verte sticht ze onrust. Anders dan een oceaan, wordt ze net als ons geboren en heeft een richting naar het ongewisse.

Er zijn tien mensen gekomen. Vanavond mijn laatste overnachting. Morgenvroeg mijn laatste vier tekeningen maken. Dan is het afgerond. Het is koud hier op het bankje even buiten de Telpost.

Millingen a/d Rijn augustus 2012

tekening 73-78 kleiner