Incisie -
Incisie
bald übersetzt...
Incisie
transalted soon...
Incisie
Goed dat de zonen nog leven,
van de slachter van Savatthi de zonen,
de zonen van Sebastiaan en de zonen van Barbara.
De zonen die wild het glas
in de hals slaan.
De zonen die lijdzaam
de kras in hun handen ontvangen.
De zonen die, immers ongewapend,
de mimiek van mummies imiteren,
de gruwelijk geoorloofde geste,
die, niet bestand,
met te oude stem,
te oude leugens, samengeperst
in onsplijtbaar rafelige steen,
krijten op de weke wanden van de moed,
de zonen die onstuitbaar
en o zo hongerig vrolijk vallen
in de scherven van de hulpeloos verworven schande,
zorgvuldig, in magische patronen,
op hun pad van nog vormloos stof
uitgestrooid.
Goed dat de zonen nog leven.
Goed dat de zonen nog leven.
Van wellustige wrekers de zonen,
van verminkte hoeders de zonen.
De zonen die, amper brabbelend,
gecamoufleerd, al tandeloos grijnzend, hun mijnen
souffleren in ongeschonden bodem,
waarop met onschuldige stok
de schoonste belofte wordt getrokken.
Van bevrijders en bezetters de zonen.
De zonen die graaien naar de laatste schaamte,
de zonen die zich warmen
in de kieren van de uitgemergelden,
de zonen die hun woest verdriet
gretig hangen om de schouders van een wankele valse hond.
De zonen die met schorgeschreven pennen
verfijnd hun liefdesbrieven kerven
in het murwe lijf van hun muze,
en met traag verzadigd staren
haar ingesleten grijns vol geluidloze pijn
ontvangen als een meesterlijk loon.
De zonen, dat ze leven zij een goed
dat rijkdom brengen zal.
Luister hoe ze zingen, hoe ze samen zingen:
de zonen, gewekt uit eer, gebrek,
uit bange berekening, uit een liefde
die neerdwarrelt als een toevallig blad
op een dungeweven mat in een ras verlaten kamer,
in een omhelzend veld vol korenbloemen en papavers,
in tongen van een zuiverste vuur,
een vlammende einderloze oceaan
die alle oneer verzengt.
Luister hoe ze zingen, luister hoe ze samen zingen:
de zonen met hun hongerig gesperde kelen,
de verrukte aangevers en belezen verraders,
echoënd woorden van hun dorrode akkers
tot de hoeders die, slapend onder stapels holle vodden,
stomgeslagen neuriën over de hoop.
Vooruit gaan deze zonen, deze broeders,
vooruit deze door hun goden gewijde heiligen,
verleid door de geurloze schim
met het gave gezicht van grijnzende nederigheid,
vooruit gaan ze, om te slaven en te offeren voor hun vaders.
Luister hoe ze zingen, hoe de zonen zingen:
als water storten hun stemmen in de afgrond
en geselen de belangeloze rots.
Goed toch dat de zonen leven en
dat ze met hongerig gesperde ogen
kerken en kerkers bezingen
die ze met hongerig gespreide vingers
hoog zullen stapelen op overwoekerde contouren,
één steen eerst, een volgende dan, en nooit genoeg,
zoals zij, eenmaal gebeden prevelend
en wonden en geselstriemen als hobby strelend,
een zucht, stil, een syllabe, stilletjes,
een onbewogen woord, nog stiller, toevoegen
aan een taal die voor elke beweging van de wereld,
onvoorspelbaar vast, láng een leegte spaarde.
Een woord en nog een,
een steen en nog een:
een grafsteen voor een naamloze, dit koningloos kasteel.
Op haar kantelen zitten de koningloze prinsen,
hun beschadigde jonge benen onverschillig bungelend,
hun zoetgevoede lippen tot barstens getuit,
hun hete tongen schilferig naar voren, tegen hun verhemelten,
fluitend het schrille en toonloos angstige
ssssssssssssssssssssssssssssssst.
Goed toch deze zonen, dat ze leven,
één steen eerst, een volgende dan, en nooit genoeg,
goed toch deze zonen, goed toch dat ze zingen,
één steen eerst, een volgende dan, en nooit genoeg,
en nooit genoeg
en nooit genoeg