Hoofd van een man -



Kopf eines Mannes

bald übersetzt...



Head of a man

The condensed head turns to me. Only the flinching right eye, a sombre stain, is visible. The other eye hidden in an unlit shadow, which almost seamlessly, without a visible difference in shade of darkness, merges into his oil black hair - perhaps this eye laughs, or turns upon itself, lost to the world, or gleams and glistens with happiness, shameless, because it remains unseen for all that is different. The mouth is somewhat lazy, the nose perched powerlessly gratified above it. The left ear protruding noticeably more than the right. Although the head belongs to a young man, this is an incredibly large ear. This man has compressed himself, kneaded his body into a tied suit, seemingly wanting to stuff his head into the sinuses behind his cheekbones. This one big ear, it defies him. Much as he wishes to implode, his ear wends itself outwards and grows and grows, unimpeded, hoping thus to envelope every conceivable sound, hoping thus to understand the world and find a space for this, his disappearing body.

transl. John Devitt/Nico Huijbregts



Hoofd van een man

Het ineengedrukte hoofd keert zich naar mij. Alleen het geknepen rechteroog, een vlek somberte, is zichtbaar. Het andere oog verborgen in een lichtloze schaduw, die haast naadloos, zonder een zichtbaar onderscheid in graad van donkerte, overgaat in zijn oliezwarte haar – misschien lacht dit oog, of wendt het zich in zichzelf, verloren voor de wereld, of broeit en glanst het van gelukzaligheid, zonder schaamte, omdat het voor al dat anders is ongezien blijft. De mond is een beetje lui, de neus hangt er onmachtig verzadigd boven. Het linker oor steekt opvallend meer uit dan het rechter. Hoewel het hoofd een nog jonge man toebehoort, is dit een uitermate groot oor. Deze man heeft zich samengeperst, zijn lijf in een met das gekneveld pak gekneed, en zijn hoofd lijkt hij naar binnen, in de holtes achter zijn jukbeenderen te willen proppen. Dit ene grote oor, het weerstreeft hem. Hoezeer hij ook wenst te imploderen, zijn oor richt zich naar buiten en groeit en groeit, onbelemmerd, omdat het zo ieder denkbaar geluid hoopt te omvatten, omdat het zo hoopt de wereld te kunnen begrijpen en er een ruimte te vinden voor dit zijn verdwijnende lijf.