De handen van Michiel Braam - Michiel Braam Nico Huijbregts
De handen van Michiel Braam
Een jonge Olympiër, onvervaard, gekleed in knalroze overhemd en donkere broek. Zijn ronde gezicht bedaard ernstig. De ogen gefixeerd op het klavier van de Kawai babyvleugel. Meteen, met schotvaste attaque, zetten zijn handen aan. Een riedel neerwaarts, gevolgd door een stug hoekig ritme. De linkerhand blijft laag, de rechterhand springt omhoog, een bijtende cluster wordt uit de toetsen gehakt. Opnieuw die riedel neerwaarts, weer splijten daarna de handen, soms geslepen als de trefzekere messen van Lucio Fontana, dan hard als de ijzeren hamers van Hephaistos, stiltes suizen in mijn woonkamer op een klamme grauwe zondagmorgen in augustus. Buiten is alles roerloos. Zelfs de buigzame en ritselende krulwilg houdt de adem in. Met aandachtige blik vorst de pianist de verrichtingen van zijn eigen handen. Zijn bovenlijf maakt geen enkele overbodige beweging. Onder zijn handen groeit het pianostuk dat in sfeer abrupt een wending neemt. De handen die tot nu toe zich nu eens soepel slank door de toetsen friemelden, dan weer ontspannen verstarden tot op scherp gestelde wapens, of als uit de kluiten gewassen babyknuisten een dwars onweer uit de enigszins onwillige snaren roffelden, strekken zich en beginnen, uiterst zacht, als tot bedaren manend, de toetsen in het middengebied in te drukken. Een sereen lyrisch lied in wiegende en fluisterende samenklanken heelt dat wat voorheen nog onherstelbaar uiteengereten leek.
Een verblindend zilveren licht steekt messcherp op tussen de wolken die het daarna meteen weer toedekken. Nog dikker is nu het grauw dat mijn tuin gevangen houdt. De rechterhand spant zich, daar snelt weer de riedel neerwaarts, een slag van de linkerhand op een toets brengt fel een inmiddels ontstemde snaar in trilling, met beide handen wordt de zo-even ontstane hoop getart. Onverstoorbaar herhalen de handen het eerder vertelde drama. Opnieuw hoekig helder en kaal precies worden de kerven en sneden aangebracht in het canvas van de troost, met gehamerde mokertonen als besliste noodlottige omlijsting.
Maar juist wanneer ik denk dat voor iedere vorm van enige geruststelling de genadeslag gaat vallen, staken de handen hun apocalyptische hakken. Even hangen ze boven het klavier. Onbeweeglijk blijft het bovenlijf van de pianist, onveranderlijk zijn peinzend kijken. Dan, als een zucht, landen de handen, vlak gestrekt, kalm op de toetsen en beginnen, zachter dan voorheen, het lied van de hoop en de leniging te zingen, even maar, het blijft bij een aarzelend begin. De handen blijven stil op de toetsen liggen. De aanzet van een glimlach op het gezicht van de jonge pianist, als vraagt hij schuchter om vergeving voor de twijfel die hij als besluit heeft opgeroepen. Hij neemt zijn handen van de toetsen af, laat ze rusten op zijn bovenbenen. Ik heb het niet gemerkt, maar buiten is regen fel gaan vallen. De langgerekte takken van de krulwilg zwiepen plotseling heen en weer. Een verloren merel vlucht schielijk weg voor het neerslaande water waarvan het geknetter, een samengeperst geluid van duizenden vallende spelden, mijn woonkamer vult.
Nico Huijbregts
augustus 2011